A Hard Rain's A-Gonna Fall (Bob Dylan)
“De vlucht - Elvis Peeters” ****
Zo zwart als de dood die overal is. Overal om haar heen, hoe hard ze er ook tegen strijdt.
Zij niet alleen. En allemaal doen ze wat ze kunnen. Maar boven hen staat de macht die niet doet wat goed is voor de wereld maar wat goed is voor hen. Prestige. Gewin. Verpakt in veel blabla.
Ze is moe. Ze is het moe.
Ziek van de beelden die dag na dag van de tv af spatten. Ze achtervolgen haar tot in haar slaap. In haar nachtmerries.
Waar kun je nog schuilen? Waar blijf je de moed halen?
Dichterbij gaat haar moeder dood. Het is de enige dood die ze kan verlichten.
Wat houdt haar nog hier?
Ze snakt naar lucht. Naar adem.
Een kier groen in het zwart.
In Frankrijk, tussen de koeien - die niets van elkaar willen dan wat gezelschap – vindt ze rust.
Onopgemerkt in de kudde. Koe zijn, mens zijn zonder te veel vragen. Ze leert er kijken, zegt ze. Zién.
Wat niet helemaal klopt, want ook in de beelden van oorlog, hongersnood, overstromingen, bosbranden… registreerde haar oog scherp als gesneden glas. Het kerfde in haar ziel.
Maar de schoonheid weer zien. De rust.
Het leven dag na dag op je laten af komen en zien wat er gebeurt.
Er zijn weer mogelijkheden.
Mensen die je zomaar een plezier doen.
Kippen die eieren leggen.
Een piano die ze laat komen al kan ze er niet op spelen. Maar wie weet.
Er zijn de herinneringen. Protestacties. Arrestaties. Nachten in de cel.
Mensen met hetzelfde ideaal. Je vindt elkaar en noemt het even liefde.
Er is verlies. Mensen verliezen, hoop verliezen, zelfs als je processen wint verlies je uiteindelijk nog.
Er is de geschiedenis.
Charlotte Corday die Marat doodde in zijn bad.
Hoe kom je ertoe een mens te doden? Er zelf voor te sterven?
Er is Hélène die tevreden is met haar kleine wereld van muziek, zoals zij met haar koeien en heuvels.
Hélène, tegen wie ze haar hart kan luchten.
Hélène, zacht en wijs en met zinnen als lichte tegenwind tegen de woede die nog steeds af en toe de kop opsteekt:
‘We moeten doen wat we kunnen, dan voelen we dat we leven.’
Er is de hoop. Niet op iets specifieks. Een hoop die ruimte schept om waar te worden.
‘En dat je hart klopt en dat het niet alleen voor jezelf klopt. Een hart heb je ook voor een ander. Een hart zonder een ander is een dood hart.’
En dan de storm. Uit het niets.
Haar hart kreunt.
Het land verdrinkt.
Je ontkomt er niet aan.
Het laatste hoofdstuk had voor mij niet gehoeven, maar verder een revelatie.
Beklemmend. Meeslepend. Van hard en schrijnend tot teder.
Confronterend.
Vlucht ook ik om een wereld achter me te laten, of wil ik voor deze vechten?
Synopsis
Een vrouw ontvlucht de beelden van oorlog, dood en geweld die haar in het dagelijks leven achtervolgen. In het Normandische landschap leert ze opnieuw kijken naar de natuur, afgezonderd van de wereld.