'Na de dagen' - in gesprek met Willem Van Zadelhoff

2 juni 2026

Door Sven Reynders

De Nederlandse, in Antwerpen wonende auteur, recensent en docent Willem van Zadelhoff (°Arnhem, 2 februari 1958) is voor het grote publiek wellicht nog een onbekende. Maar daar zou nu wel eens verandering in kunnen komen. Na zes romans (waarvan ‘Holle haven’ de Longlist van de Libris Literatuurprijs haalde en ‘De nachten van Hofman' de Longlist van de ECI Literatuurprijs) en drie poëziebundels (met ‘Tijd en landen’ won hij in 2009 de Herman de Coninckprijs voor Beste Debuut), verscheen recent, zijn tot nog toe magnum opus ‘Na de dagen’, waarin een fout gelopen boottochtje het familiaal verleden weer tot leven brengt. Antwerpen Leest had hieromtrent een gesprek met de schrijver.

Met Na de dagen schrijft u een boeiend, veeljarig generatieoverschrijdend familie-epos met een aantal verrassende verhaalwisselingen en - wellicht gevaarlijk uitspraak dezer dagen - opmerkelijk plot. Wat was de aanzet of inspiratie voor dit aangrijpend verhaal?

Dat is bij mij altijd heel moeilijk. Het heeft eigenlijk twee aanzetten. Enerzijds is er dat meisje in het boek dat doodgereden wordt. Ik was 12, 13 jaar en zo’n meisje zat bij mij in de parallelklas, ze moest altijd dezelfde kant op fietsen als ik. In een soort van romantische verliefdheid fietste ik achter haar aan. Maar een tijdje geleden vroeg ik me af, wat zou dat meisje toen gedacht hebben? Wat voor een engerd fietst steeds achter me aan? Dus dat dacht ik eens om te draaien. Niet de romantische puber die verliefd is, maar een meisje dat zich opgejaagd voelt. Anderzijds paste dat ook in het verhaal omdat de hoofdfiguur, Robert, iemand is die het allemaal op zich af laat komen en weinig ondernemend is. In die zin is hij een spiegeling van zijn vader. Vooral omdat het de vraag is of die wel zijn vader is, of eigenlijk zijn oom. Vlak voor dat mijn vader stierf, zei hij me zei dat hij zo’n groot geheim in zich droeg, zo verschrikkelijk dat hij er niet over kan spreken. Hij heeft mij met een raadsel achtergelaten. Dus ja, wat kan er met hem gebeurd zijn? Een keurige, intelligente katholieke jongen, steeds de beste van zijn klas tot hij plotseling in de derde, vierde klas slechte cijfers begin te halen. Ook dat is eigenlijk een beetje mijn inspiratie geweest.

Er zitten dus best wat autobiografische elementen in?

Inderdaad, het verleden als startpunt. Maar dat heb ik wel vaker hoor. Neem bijvoorbeeld mijn boek Holle haven, dat gaat over een Arnhemse familie en modernistische architectuur. Mijn vorige roman, Een graf in de wolken, gaat over diezelfde familie. Je kan al mijn boeken los van elkaar lezen, maar eigenlijk vormen ze één groot geheel.

Ik ben opgegroeid in Arnhem. Het is niet dat ik daar heimwee naar heb, maar het is wel mijn materiaal. Ik heb al die verhalen gehoord, bijvoorbeeld over een voddenman die in de oorlog plotseling fortuin maakt door goud en juwelen op te kopen van Joodse mensen.

De personages in het boek komen laag per laag tot stand, stukje per beetje krijgt de lezer meer inzicht in de persoonlijkheden. Is dit een bewuste keuze of is dit als het ware vanzelf tot stand gekomen?

Dat ontstaat vanzelf. Ik moet wel zeggen dat in vergelijking met mijn vorig boek dit boek anders is, omdat het vaak van perspectief wisselt en geen aangezette dialogen met aanhalingstekens bevat, het loopt allemaal wat door. Ik heb altijd wel een idee van een uitgangspunt, hier wil ik over schrijven, maar het echte werk ontstaat tijdens het schrijven.

Kan u ons iets vertellen over het schrijfproces van dit boek. Of over uw schrijfprocessen in het algemeen?

Ik had het hier laatst nog met iemand anders over, het is eigenlijk heel raar, maar ik weet dat allemaal niet meer. Als ik zo’n boek zie, denk ik, heb ik dat allemaal geschreven. Ik heb daar geen concrete herinneringen aan, dat is heel vreemd.

Binnen mijn schrijfroutine ben ik in principe vanaf een uur of negen ’s ochtends beschikbaar voor mijn boek. Vroeger, toen mijn dochter nog op school zat, was dat echt een fijn ritme. Ik bracht haar weg om kwart voor negen, kwam terug thuis, zette koffie en ik begon. Maar er zijn ook dagen waarop niets lukt, zo zijn maandagen voor mij vaak lastig, vooral als ik een druk sociaal weekend heb gehad. Dan heb ik de hele dag nodig om er terug in te komen. Maar ik ben er wel. Ik zeg ook steeds tegen mijn studenten dat je er een paar momenten per dag moet zijn voor je boek. Je moet niet daadwerkelijk schrijven, maar je moet er wel zijn, je moet er over nadenken. Of herlees wat je de dag of de avond ervoor hebt geschreven. Tegelijkertijd zeg ik hen ook steeds dat ik het niet over hun plot of karakters wil hebben, ik wil gewoon teksten zien.

U schrijft zowel proza als poëzie. Heeft u enige voorkeur? Hoe komt het verschil tussen beiden tot stand?

Het is niet zo dat ik zeg, nu ga ik eens even een paar dagen poëzie schrijven. Ik heb altijd wel poëzie geschreven. Ik ben zeer jong, als veertienjarige, gedebuteerd als dichter in een Vlaams literair tijdschrift dat toen Kruispunt-Sumier heette. Maar op een bepaald moment heb ik dat allemaal weggegooid. Toen heb ik een hele tijd geen poëzie geschreven. Zoals zoveel jongens van achttien, negentien jaar probeerde ik natuurlijk wel wat aanzetten te doen. Ik zat toen op de toneelschool, docentenopleiding regie, en ben toen in die wereld terechtgekomen. Daarna ben ik met een vriend van mij scenario’s beginnen schrijven voor televisie en ben ik met mijn vrouw naar Antwerpen verhuisd. Toen ben ik echt begonnen.

Schrijvers zijn vaak fervente lezers. Wie zijn uw favoriete schrijvers, inspiratoren of voorbeelden?

Schrijvers die ik heel erg bewonder, zijn mensen die volkomen anders schrijven dan ikzelf. Zo was iemand als Thomas Bernhard jarenlang mijn grote favoriet, of de Tsjechische schrijver Hrabal. Maar wat ik doe, heeft daar niets mee te maken. Onlangs heb ik De bijensteek van Paul Murray gelezen, dat vond ik zeer de moeite waard, een heel knap geconstrueerd boek. En vanochtend ben ik toevallig, omdat ik er iets over had gelezen, weer in Elsschot gaan bladeren.

Toen ik zo’n vijftien, zestien jaar was, las ik De voorstad groeit van Louis Paul Boon, Voer voor psychologen van Harry Mulisch en ontdekte ik Willem Elsschot, dat waren op dat moment toch wel mijn helden. Ik weet nog dat ik als jongetje van veertien, vijftien jaar met de trein een tienertoer kon doen, dan ging ik door heel Nederland en vond ik in de ramsj die hele mooie deeltjes van Querido van Willem Elsschot, die had ik allemaal verzameld tot ik het hele rijtje compleet had.

Wat mogen we van u op literair vlak in de toekomst nog verwachten?

Ik heb een vaag idee om mijn vorige roman, samen met het vervolg, in één deel uit te geven. En nu ben ik bezig met een andere roman die gebaseerd is op het verhaal van een vriend van mij die op een gegeven moment zijn oudere broer, die in Londen woont, te logeren krijgt. Hij zou maar één of twee nachtjes blijven, maar uiteindelijk is hij wekenlang gebleven. Hij begin zich steeds vreemder te gedragen. Uiteindelijk bleek hij jongdementie te hebben. Niet lang daarna is hij gestorven.

Kijk, dit is ook weer zo’n thema in mijn werk. Net als in Na de dagen zijn het opnieuw twee broers die een volkomen andere herinnering aan hun jeugd hebben. Drie van mijn romans zijn gebaseerd op een toneelstuk. Vuur stelen is min of meer gebaseerd op Prometheus geboeid. Prometheus is de man die vooruit kan zien, zijn broer, Epimetheus, kijkt steeds achterom.

De blauwdruk van het huidige boek, Na de dagen, is eigenlijk ontleend aan Hamlet van Shakespeare. De vader van Robert is een beetje de vader van Hamlet, de oude koning, Robert is Hamlet, het dode meisje is Ophelia en oom Dirk is eigenlijk gewoon de nieuwe koning. De nachten van Hofman, wat hier in Antwerpen speelt, is dan weer schatplichtig aan De meeuw van Tsjechov.

Bedankt voor het gesprek!