De kringloop van leven en dood. Of zoals de sneeuw terugkomt, altijd weer
“Ik zeg geen vaarwel - Han Kang” *****
Onmenselijk geweld en bovenmenselijke liefde die geen van beide overgaan.
Realiteit, droom en waan.
De vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. De natuurkrachten zijn alom.
En twee vriendinnen/collega’s. Van beiden staat het leven op de rand van een afgrond.
In Seoul kampt Gyeong-ha, schrijfster, na een boek over oorlogsgeweld, met nachtmerries. Die hollen haar uit en isoleren haar van de wereld.
Avond na avond begint ze aan een afscheidsbrief, maar zelfs de woorden hebben haar verlaten.
Tot het haar plots treft hoe breekbaar het leven is. De voorbijgangers op straat zijn zo fragiel dat ze zomaar kunnen verkruimelen.
‘Hoe makkelijk onze huid, organen, botten ons hele bestaan kon sneuvelen. Eén enkel besluit en het was afgelopen.’
Of één telefoontje en alles verandert; alles komt in een stroomversnelling.
Haar vriendin Inseon, filmmaker en nu houtbewerker, heeft zich twee vingers afgezaagd. Thuis heeft ze een kaketoe, die sterft als hij niet vandaag nog water en voedsel krijgt. En zij mag een paar weken het ziekenhuis niet verlaten.
Het is amper een vraag.
Gyeong-ha stemt toe. Ze vreest dat het ongeluk Inseon overkwam toen ze aan hun project werkte, al was zijzelf daar op teruggekomen. Maar Inseon ging door, desnoods alleen. Inseon ging altijd door.
In de ergste sneeuwstorm sinds mensenheugenis stapt Geyong-ha op de bus naar Jeju-eiland, waar Inseon haar atelier heeft. Ze woont er sinds haar moeder zorgbehoevend werd en bleef er ook na haar dood.
Haar moeder, die sliep met een zaagmachine onder haar matras, om de nachtmerries op de vlucht te drijven.
Haar moeder, die haar leven gewijd heeft aan het terugvinden van haar vermiste broer…
Haar moeder die het teruggevonden zusje, amper een kluitje bloed, van haar eigen bloed voerde door het gat van een uitgevallen melktand… Wie kan eten, krijgt een lang leven…
Haar aanwezigheid is voelbaar in het huis. Van de moeder, maar ook van Insuon. Van alle naamloze slachtoffers.
In herinneringen en in een enorm archief over de Jeju-opstand in 1948, waarbij duizenden mensen – mannen, vrouwen, kinderen – werden vermoord in een blinde communistenjacht.
Gyeong-ha komt meer dood dan levend in het huisje aan.
Van hier af ‘schift’ het verhaal: realiteit en droom of waan, dood en leven, verweven zich met elkaar.
Wat is echt?
In die schimmige wereld, waarin de beide vriendinnen elkaar treffen, terwijl de stoom is uitgevallen en de wereld in duisternis verzinkt, worden ze steeds meer elkaars spiegelbeeld en schaduw.
Niet alle puzzelstukken vallen in elkaar – het ‘vergeten’ bloedbad van Jeju is voor mij als lezer een onbekend stuk wereldgeschiedenis en soms verwarrend. Bovendien gaat het om een oorlog, met duizenden doden, massagraven, vermisten. De gaten blijven; verlangen, hoop, een zesde zintuig… vullen in wat het hoofd niet achterhaalt.
De taal is tegelijk eenvoudig en magisch, een rauwe werkelijkheid omzwachteld met tederheid, als van sneeuw. De symboliek is alom.
Een roman met een verpletterende diepgang en van aangrijpende schoonheid. Nog meer dan ‘De vegetariër’ dat ik niet zo lang geleden van Han Kang las.
Onze doden laten ons niet los en wij kunnen, wij mogen hen niet vergeten.
Zoals zwarte bomen zonder takken en bladeren, zo staan ze in het wassende water dat ons tot de knieën reikt.
We kunnen niet niéts doen.
Synopsis
Een romanschrijver reist naar Jeju-eiland om de vogel van haar vriendin, die in het ziekenhuis ligt, te verzorgen. Eenmaal aangekomen wordt ze geconfronteerd met het pijnlijke verleden van de familie van haar vriendin, wier oom sinds de bloederige Jeju-opstand vermist is.