Wie ben je, als alles uiteenvalt?
“Het einde van de straat - Angelo Tijssens” *****
Er zijn twee opties: iets gebeurt, of het gebeurt niet.
Het leven als Russische roulette met een revolver met twee kamers, één kogel.
De jonge schilder heeft niet het gevoel dat hij daar veel keuze in heeft.
Hij is gay, ontmoette Nicolas van wie hij de geur die hij nooit eerder had geroken meteen had herkend en nu zijn ze getrouwd. Man en man. Het past niet in het normale systeem, je kunt ervoor in elkaar worden geslagen. Je kunt kiezen om op straat niet hand in hand te lopen.
En nu wonen ze aan het eind van de straat, in het huis van Nicolas’ ouders die elders rust en geluk hebben gezocht.
De rollen zijn verdeeld. Nicolas werkt hard, de schilder is vrouw des huizes geworden. De inspiratie blijft uit, Nicolas blijft lang op het werk, de galerijhoudster laat zich weinig zien.
Omdat de drang om de wereld te scheppen ondergeschikt wordt aan de drang om een nest te bouwen… (…) ergens echt kunnen thuiskomen…
In dat huis waar niets echt van hem is, de garage misschien die hij zijn atelier noemt.
Er is al dagen, weken de drukkende hitte, de droogte, grond en mens die smachten naar regen, en de schilder die naar liefde snakt. Hij observeert, ziet alles, ook wat voor het oog onzichtbaar is, maar je hersenen vullen in, ze kunnen niet tegen het donker. Hij ziet en wordt zelf niet gezien.
Hij zou weer aan het werk moeten, voor hij went aan de dood.
Hij moet zijn eigen stem vinden.
Hij heeft doeken nodig, verf.
Er is de geur van rook en brand, de gloed boven de heide, het geronk van blusvliegtuigen.
De gloed in de lenden van de schilder als hij Enkidu ontmoet die voor hem poseert. Hij brandt onderhuids zoals de heide dat doet ondergronds.
De schilder legt vast op doek, maar het is het model dat hem bezit, de leegte vult, het gemis van de man die geen tijd meer voor hem heeft, die anders dan hij wel in het systeem past, dat is wat de schilder denkt.
Hij is alleen.
De relatie verbrokkelt, en zij tweeën, de schilder en zijn man, verliezen hun vorm.
We zijn amorf geworden, in beweging, kolkend. We lijken klaar om ons te schikken naar eerder welke recipiënt, elke vorm die ons kan verdragen, die ons voor het wegvloeien behoedt en dan, wanneer het koken stopt en verstilt en verkilt, wanneer het water ijs wordt en de massa uitzet, de kruik breekt, dan is er de angst voor de dooi, want zonder vorm of tussen de barsten vloeit al wat vloeibaar is weg, door kieren en over de scherven, de grond in, de diepte, onmogelijk om nog terug te keren tenzij als damp, in druppels, een restje.
De hitte kan niet blijven duren, de storm bouwt zich nog onzichtbaar op, er zal een regen komen als een tabula rasa of als een schone lei waar het stof van af is gespoeld, het gebeurt of het gebeurt niet.
Een knap opgebouwde roman, stapstenen in de kolkende rivier die de emoties van de kunstschilder symboliseert.
Taal die scherpe contouren trekt rond wat niet letterlijk wordt gezegd maar je aankijkt vanuit het wit, het lege canvas. En de dialoog tussen zwart en wit, en alles daartussen.
Synopsis
Een pasgetrouwde jonge schilder verhuist met zijn echtgenoot naar het huis van zijn schoonouders. Daar worstelt hij met zijn nieuwe realiteit, zijn huwelijk, zijn identiteit en met sociale structuren die niet voor hem lijken te zijn gemaakt.