De wereld bijeenhouden
“Mijn tijd in deze bossen - Gaute Heivoll” *****+
“Hij herinnerde zich heel weinig, en het beetje dat hij zich herinnerde, leek zinloos om op te schrijven. (…) Niets had hij meegemaakt. Niets had hij gezien. Hij had niet gereisd. (…) Hij had alleen in deze bossen rondgelopen, die eigenlijk zijn hele leven niet waren veranderd.
Er was niets om over te schrijven.
Het enige wat echt van hem geweest was, was het werk. (…)
Het echte werk had gezeten in het bijeenhouden van de wereld, die toch langzaam was veranderd.’
Dit is Johannes ten voeten uit.
Een zwijgzame, hardwerkende man die weinig nodig heeft.
Sinds hij én zijn moeder én zijn zus verloor, die haar rol had overgenomen, heeft hij alleen nog nood aan een thuis. Aan iemand die nabij is. Die blijft.
Dat vindt hij in en bij Ingeborg. De vrouw die hij onvoorwaardelijk liefheeft.
Zijn grootste angst is haar te verliezen.
Na de dood van Johannes’ vader manifesteren zich bij Ingeborg de eerste tekenen van een psychische stoornis. Ze dringt erop aan de boerderij, die hij als oudste van twee zonen geërfd heeft, te verlaten.
Hij doet wat ondenkbaar heeft geleken. Verbaasd dat het zo simpel is.
In een andere boerderij beginnen ze opnieuw. Ze krijgen buren, die kinderen krijgen en die kinderen doen hen dromen.
Maar ook van die boerderij moeten ze vertrekken.
Elders weer opnieuw beginnen. Opnieuw nieuwe buren.
Het wordt oorlog, waarin Johannes en Ingeborg ’s avonds de krant lezen.
Overdag maaien en melken ze. Ze hebben weinig woorden nodig.
Met met de vrede keert bij Ingeborg de onrust terug. Opnieuw dwaalt ze hele nachten rond. Ze is zichzelf niet meer.
Johannes wacht. Johannes zoekt haar. Ingeborg keert zich tegen hem. Mishandelt hem. Hij probeert het te verzwijgen voor de buren.
De twijfel vreet of ze nog van hem houdt.
Zijn liefde voor haar is nog altijd onvoorwaardelijk. Onverzettelijk.
Ingeborg heeft hem nodig. En zij is zijn thuis.
Hij is opgelucht dat ze haar trouwring, die ze wilde teruggeven, niet van haar dikker gesworden vinger krijgt.
Er volgt een eerste opname.
Als ze na maanden terugkomt, gaat ze opnieuw aan het weefgetouw zitten.
Als ze weeft, is het gevaar geweken. Tijdelijk.
Er zijn betere en er zijn slechte dagen.
Nieuwe opnames.
Buren helpen waar ze kunnen.
Veel wordt gezien. Over weinig gesproken.
In hun kleine gemeenschap is elkaar helpen een vanzelfsprekendheid.
Je hebt een leven dat niemand kan leven, zegt Anna, een buurvrouw, tegen hem. Maar jíj kan het. Je bent uitzonderlijk.
Als hij het daarna vaak genoeg tegen zichzelf zegt, begint hij het te geloven.
En daarom houdt hij vol. Hij kan het.
Soms is vergeven gemakkelijk, soms is het moeilijk.
De tegenslagen blijven zich aan elkaar rijgen.
Hun huwelijk blijft kinderloos. Ingeborg zal geen moeder en Johannes zal geen vader worden.
Maar er is Tone, Anna’s jongste dochter. Tone die niet bang is en die met haar geheimzinnige ijver aan de geheimzinnigheid binnen in hem raakt.
Tone, van wie Johannes blij wordt als hij haar ziet.
In een zeldzaam moment neemt verbittering het over, maar kort daarna recht hij zijn schouders weer. Hij gaat weer verder. Dankbaar telt hij zijn zegeningen.
Als de tegenslagen niet gebeurd waren, had hij Ingeborgs vertwijfeling niet gezien.
Als het lot hun geen dingen had afgepakt, waren ze niet completer geworden. Elk voor zich en samen.
En daarom leven ze, inmiddels oud geworden, bijna alleen nog van genade.
Dit is de mooiste roman die ik dit jaar gelezen heb.
Misschien wel de mooiste ooit.
Een aangrijpend liefdesverhaal.
Sereen, sober, wijs, en met een diepgaande menselijkheid.
Zoals Johannes zelf zegt: er gebeurt weinig, maar in het dagdagelijkse ligt alle betekenis. En de grote schokken trillen des te dieper na omdat ze met weinig woorden worden beschreven.
Ze zijn een drama. Ze zouden een drama kunnen zijn. Maar Johannes gaat voort. Hij doet waar hij goed in is. Werken en wachten.
Wachten op iemands vraag die een verhaal bij hem naar boven brengt. Herinneringen aan zijn kindertijd. Aan zijn leven. Aan zijn tijd in de bossen.
Het ritme van de natuur is het ritme waarop het leven wordt geleefd. Met af en toe een aardschok die weer wegebt.
Een prachtige, sterke, geloofwaardige karaktertekening, van alle personages en van hun onderlinge relatie. Mooie mensen die je wilt omhelzen. Die je had willen kennen, en dat doe je ook, en dan wil je geen afscheid van hen nemen.
In zijn taal weet de auteur de essentie te vatten in de stilte die het boek uitademt.
In een beeld. Een gedachte. De zee die je heel in de verte kunt zien liggen. De verre klank van een kerkklok.
De stilte, de bossen.
Het geluid van het weefgetouw als van een hart dat blijft tikken.
En de muziek. Ja, ook de muziek. En dan kun je dansen.