Koukoorts
“Honderd miljoen jaar en een dag - Jean-Baptiste Andrea” *****
Na Waak over haar, Duivels en heiligen en Mijn koningin hield ik dan eindelijk toch Honderd miljoen jaar en een dag in mijn handen. Het zien van de bergen op de cover joeg een huivering over mijn ruggengraat. Ik ken hun wisselvallig zomerhumeur, hun alomtegenwoordigheid en hun verlatenheid, de flaptekst zegt dat de winter nog moet beginnen…
Ooit moeten Stans ouders van elkaar gehouden hebben, maar nu zit zijn vader vol wreedheid, zijn moeder vol zielenleed en van hem zegt ze dat hij treurigheid in zijn aderen heeft.
Een eenzaam kind dat niet mans genoeg is om zijn vader trots te maken of op school vrienden te hebben. Al gauw begreep hij dat je ‘ze beter in de klei kon zoeken, en ze maar moest verzinnen als je ze daar niet vond.’
Zoals de kleine trilobiet, bevrijd uit zijn gevangenschap in de steen. Driehonderd miljoen jaar oud, en Stan zes.
Zo begon het.
Er is ook nog de hond Pepijn en het verhaal van Leucio en het skelet van de draak in de grot in de Dolomieten, achter de gletsjer.
Stan, professor in de paleontologie intussen, is bezeten om hem te vinden.
Het is de droom die alles wat krom is in zijn leven recht zal trekken.
Hij verkoopt er huis en have voor, laat alles achter, maar straks, als hij terugkomt, zal hij een veel groter huis kunnen kopen met genoeg kamers. Hij zal zijn belofte hebben gehouden.
Behalve Stan bestaat de expeditie nog uit Umberto, zijn voormalige assistent en beste vriend, een reus, die ongevraagd ook zijn eigen assistent meeneemt, Peter, een man met littekens op zijn ziel en zijn lijf, en die een buikspreekpop heeft die hem de woorden uit de mond neemt die hij zelf niet durft te zeggen. Er is ook Gio, de oude gids die in mythische raadsels spreekt en weet dat arrogantie de grootste doodsoorzaak in de bergen is. Hij eist absolute gehoorzaamheid, maar wat doe je tegen de koppigheid van een droom?
De expeditie is zoveel meer dan de zoektocht naar een draak.
Het is de afdaling in de diepe donkere grot van een pijnlijk verleden in de hoop aan het eind het lichte vinden van zingeving en innerlijke rust.
De queeste naar de graal, als die al geen verzinsel is.
Het is het verhaal van de grens verleggen van wat een mens dragen en verdragen kan om zijn doel te bereiken, van tot elke prijs willen lukken omdat je niet mag falen, zodat een droom een obsessie wordt die de vriendschap zwaar op de proef stelt en het leven op de helling zet.
Tegelijk is het verhaal ook een hooggebergte van de taal. De zinnen lijken eenvoudig maar zijn zelden onschuldig. Ze zijn poëzie: wijs, ontroerend, huiveringwekkend als ijspegels en schitterend als je ze tegen het licht houdt.
Synopsis
Een paleontoloog onderneemt een expeditie in de bergen om een dinosaurusskelet te vinden. De ontberingen van de zoektocht blijken een kans om in de oorsprong van de mensheid te duiken.