In gesprek met Eva Meijer: "Taal stelt ons in staat om afstanden te overbruggen"

23 oktober 2026

Door Tony Vanderheyden

Op zaterdag 7 november komt Eva Meijer naar A-bib Permeke, om in de Leesclub XL te praten met 10 Antwerpse leesclubs die allemaal diens roman Een woord voor lazen. Wij wilden Eva alvast wat beter leren kennen, via een stevig gesprek over diens veelzijdige werk.

Hoe gaat het met je Eva? Want je hebt lang geleden onder long covid.

Ik kon gelukkig wel een beetje schrijven, maar ik was niet in staat om bijvoorbeeld lezingen te geven. En ik heb daar ook een boekje over geschreven: Variaties op Aanwezigheid. Dat is een gedicht dat zich steeds herhaalt. Dus het zijn eigenlijk 45 variaties op hetzelfde gedicht. Om lezers of mensen die er zelf geen ervaring mee hebben, te laten zien wat die ervaring inhoudt.

Dat is denk ik een heel belangrijke functie van taal. Taal stelt ons in staat om afstanden te overbruggen en om op een bijna abstracte manier anderen te betrekken bij jouw leefwereld. Maar dit over de ervaring van die ziekte. Ondertussen gaat het goed. Ik ben goed hersteld. Ik ben weer veel aan het schrijven, lezingen geven, reizen. Dus ik mag niet klagen.

Ja, zo zeggen we dat dan: we mogen niet klagen (lacht). Je zegt dat taal een brug is, dat taal verbindt. Tegelijkertijd, en dat zit ook wel in uw werk, kan taal ook gemanipuleerd gebruikt worden zodat meer afstand en polarisatie wordt gecreëerd. Door een bepaald woord te gebruiken of net niet te gebruiken, zetten we al iets in een bepaalde richting. Dat is iets wat jij ook wel brengt.

Variaties

Dat klopt, en dat is ook een van de dingen die me heel erg interesseren aan taal. Want ik schrijf zelf in verschillende genres, academische filosofie, gedichten, romans. En wat ik heb gemerkt is dat die verschillende manieren van taalgebruik eigenlijk op een heel andere manier op heel andere wijze werken. In academische, bijvoorbeeld medische taal, gaat het om het overbrengen van zo zuiver mogelijke feiten, argumenten, redenaties en probeer je eigenlijk de werkelijkheid op een hele rechtstreekse manier weer te geven.

Want ik denk dat taal, zoals jij ook zegt, altijd een vertaling inhoudt van de ervaring, van de werkelijkheid. Dat kan heel nuttig zijn voor bepaalde manieren van kennisoverdracht, om te leren over de wereld om je heen, maar het schiet ook tekort op bepaalde vlakken. Dat merk je nu bijvoorbeeld in de discussie over de klimaatcrisis. Er zijn veel wetenschappers die zich zorgen maken over het klimaat en die proberen hun bezorgdheid uit te drukken in wetenschappelijke taal. Dat er echt iets ergs aan de hand is. Maar mensen, burgers die hun dagelijks leven leven, voelen niet altijd die urgentie. Dan gaan de wetenschappers grote woorden gebruiken, “crisis” en “urgentie” en dat soort dingen. Mensen raken afgestompt. Dan heb je eigenlijk een ander soort taal nodig, die poëtischer is, die meer het gevoel raakt.

En wat jij zegt, in onze tijd is er natuurlijk een afstomping van de taal, mede door hoe taal politiek wordt gebruikt. Want kijk, als ik tegen jou zeg: nee, ik ben het niet met je eens of dat vind ik niet. Ja, dan zijn we uitgepraat. Maar ik kan ook tegen jou zeggen: Ja, wat bedoel je eigenlijk? Dit zijn mijn argumenten, wat zijn jouw argumenten? En dan heb je een gesprek. Taal wordt op verschillende manieren gebruikt. Binnen de context van een gemeenschap in sociale relaties is het belangrijk om te zoeken naar open vormen van taal en ik ben bang dat we dat aan het verleren zijn. En de hele technologische ontwikkeling en social media, zijn vooral gericht op korte kreten: die maken het alleen maar lastiger om elkaar nog echt te begrijpen.

Ja, je merkt dat ook in het gebruik van AI, dat mensen de prompting, de manier van de vragen stellen, eigenlijk niet goed beheersen. Dat er al heel veel vooronderstellingen in een vraag zitten. Hebben we geleerd om goede vragen te stellen? En in dezelfde categorie zit dan geduld en de aandacht in het luisteren, want dat is natuurlijk even belangrijk.

Ja, dat is een goed punt van die AI-vragen. Over het soort vragen dat we stellen en hoe dat onbetrouwbare antwoorden oplevert. Maar inderdaad, de precieze woorden die je kiest binnen zo'n vraag zijn ook heel bepalend.

Weet je wat het is? De meeste dingen zijn op een goede en slechte manier te gebruiken. En dat is hetzelfde met het internet in het algemeen. Dat heeft natuurlijk ongelooflijk veel emancipatoire functies. Het kan ook bijvoorbeeld jongeren uit gemarginaliseerde groepen een plek bieden om met gelijkgestemden te praten. En kennis op grote schaal delen, gratis.

Maar goed, er zijn ook ongelooflijk veel risico's en op dit moment gaat de technologie sneller dan de evolutie van de mensheid, en dat is iets waar je voor moet uitkijken. Dus ja, we moeten het erover hebben met elkaar. En ik denk dat de lens van de taal vaak een nuttige lens is, omdat je de aandacht weghaalt van de mening. Wat gebeurt er in de taal, bijvoorbeeld als het gaat over politieke taal, op wat voor manieren spreken we? In monologen of in dialogen?

Boeiend, maar misschien even terug naar jou. Wat was je eerste gevoel, dat er zoveel leesclubs op 7 november bijeenkomen die jouw boek gelezen hebben en die daar samen over discussiëren. Wat vind je ervan? Wat doet dat met Eva?

Nou ja, dat vind ik echt geweldig. Ook omdat ik denk dat Een woord voor een boek is waarover je echt met elkaar moet en kan praten. Want het gaat over het verlies van de taal zoals we dat in onze samenlevingen nu zien. In Nederland is er heel veel discussie over ontlezing, over de wending naar het Engels. We hebben het net gehad over de politieke taal die ik vaak moeilijk vind om juist te begrijpen. We hebben het gehad over long COVID. Een aandoening waarbij je ook eigenlijk je taalvermogen en je denkvermogen verliest. Dus er hangen heel veel sociale kwesties aan. En het is ook gewoon een wonderlijk verhaal om over te praten met elkaar. Een gedachteoefening die we samen kunnen uitvoeren. Ik vind het heel erg leuk om te merken dat lezers graag met elkaar over mijn boeken praten.

Dat geldt voor Een woord voor, maar ook bijvoorbeeld voor Zee Nu, een roman die een tijdje geleden uitkwam, waarin de zee Nederland overstroomt.

Ik denk dat boeken eigenlijk pas hun echte leven beginnen als ze gelezen worden, en erover praten, dat is natuurlijk nog een soort kers op de taart.

Als schrijver zit ik, met die boeken achter me, een beetje te typen op mijn laptop. Dan merk ik natuurlijk weinig van de reacties. Ik heb ook lang muziek gemaakt, en als je op een podium staat, dan voel je direct wat er gebeurt in een zaal. Je speelt erop in en je hebt contact met elkaar. Met boeken zit er altijd een vertraging in. Dat heeft ook iets moois, want lezen is eigenlijk een heel intieme bezigheid. Je verhoudt je in je eentje tot het boek. Maar goed, zeker voor de boeken met een wat meer politieke, maatschappelijke lading is het belangrijk en leuk om te merken dat mensen erover praten.

Zee nu

Sowieso vind ik het heel fijn dat er leesclubs bestaan. Ook vanwege de ontlezing waar we het eerder over hadden. Maar ook nog omdat lezen eigenlijk een daad van verzet is geworden in onze samenleving. Mensen kijken veel naar series en scrollen op hun schermpjes. Lezen is echter goed voor je. Het geeft je de ruimte om van anderen te leren en ook om met je eigen gedachten bezig te zijn.

Je schrijft in verschillende stijlen, verschillende thema’s. Je bent kunstenaar, betrokken medeburger, politiek actief, singer-songwriter. Met welke hokjes presenteer jij jezelf?

Dat hangt een beetje van de context af. Want ik heb wel gemerkt dat mensen je niet serieus nemen als je te veel dingen doet. Dus als ik ergens ben als schrijver, dan zeg ik schrijver of schrijver en filosoof.

Dit is ook weer een functie van de taal natuurlijk: we hebben hokjes en categorieën en woorden nodig om de werkelijkheid te temmen, want anders komen we alles elke keer voor het eerst tegen. Dan moet je dingen op een heel ingewikkelde en langdradige manier uitleggen. Dat zou best een leuk experiment zijn om een keer te doen. Maar als dagelijkse praktijk dus erg onhandig. Tegelijkertijd is het natuurlijk belangrijk om die hokjes steeds weer te bevragen en ter discussie te stellen.

En dat past voor mij heel goed in mijn werk: zo een tijdje aan het ene en dan weer aan het andere werken: zo ben ik nu bijvoorbeeld bezig met het herschrijven van een academisch boek: veel lezen en herschrijven. Voor mij gaat dat goed samen met het werken aan een roman, wat ik sowieso leuker vind. Het is een andere manier van je brein gebruiken.

Schrijven aan een roman, voelt als vrijheid, als buitenspelen. En dan kruip ik weer in dat keurslijf van die nette, rechtstreekse taal, dat is een mooie afwisseling. Wat me ook wel weer inhoudelijk op nieuwe ideeën brengt om in het creatieve werk te verkennen. Ik denk, omdat onze samenleving zo gericht is op een bepaald soort bestaan, en op succes, dat veel mensen ook best wat meer de creativiteit in hun leven zouden kunnen omarmen door verschillende dingen te doen.

Voor mijzelf is het eigenlijk gewoon langzaam zo gegroeid. Ik heb me in verschillende richtingen ontwikkeld en het werkt. Goed om aan verschillende boeken tegelijkertijd te werken, omdat je de werkelijkheid ook niet binnen één vorm kunt vangen.

Wanneer je iemand vraagt naar wie ze zijn, geven ze vaak hun beroep. Of wat ze doen, en in die categorie wat ze doen dat zichtbaar is. Niet, bijvoorbeeld, ik ben een luisteraar of dergelijke. Is Eva Meijer dan niet in de eerste plaats een erg betrokken, expressieve burger? En moeten we per se iemand zijn? Er was een tijd dat mensen geen voornaam kregen – ze behoren gewoon tot een groep.

Ja, zeker, dat is en ik moet nu ook denken, vanwege je laatste opmerking, aan het samenleven met niet-menselijke dieren. Dus ik woon hier met twee honden, een kat, twee cavia’s, twee konijnen. Die beschouwen mij helemaal niet als Eva Meijer, de schrijver. Ja, ik zit wel op dat ding te typen, maar weten zij veel wat ik daar aan het doen ben? Maar zij kennen mij op een andere manier, als een bepaald soort persoon die bepaalde keuzes maakt en met wie ze samenleven.

Ik leer ook heel veel van hen over wat de moeite waard is, naast elkaar zitten. We hebben allemaal onze eigen taak in de gemeenschap. Doris, een van de honden, houdt de boel hier in de gaten. Die waakt over ons allemaal. Ik heb hier nu een jonge hond, Kami. Nou, dat is ongelooflijke grappenmaker. De konijnen die ik heb, die zijn allebei halfblind en bejaard en ziek, maar die hebben het met elkaar heel gezellig.

Ik vind het een enorm voorrecht om zo te kunnen bestaan. De extreme luxe dat ik kan schrijven en dat ik kan tekenen en andere dingen kan doen. Gewoon door de dag heen. Ik zou niks liever willen doen. Tijdens het schrijven word ik gedreven door nieuwsgierigheid en probeer ik uit te vinden hoe het leven in elkaar zit, op verschillende manieren. En dan ben ik ook niet bezig met wat de lezer daar finaal zal van vinden.

Maar dat doe je toch wel, want als je schrijft en je verwijst voor een stuk naar politieke besluitvorming of zo, dan wil je daar toch op die manier de ogen voor openen: van kijk, mensen, dit gaat zo.

Ja, zeker, dat is zo. Maar het is ook omdat woorden gebruiken en schrijven een bepaalde communicatieve handeling is. En wanneer je te veel nadenkt over hoe anderen je werk gaan opvatten, zeker wanneer het over romans gaat of over poëzie, dat er een soort vertekening optreedt in de woorden en de tekst die je kiest.

Dus het is voor mij wel echt belangrijk om oprecht zo goed mogelijk, zo goed en eerlijk mogelijk het boek en het verhaal tegemoet te treden.

Het is ook een van de vrijheden die taal ons biedt om de werkelijkheid anders voor te stellen en om kritisch te zijn naar de manier van zijn die nu dominant is, of standaard is. Tegelijkertijd denk ik, dat onze functie ook bescheiden is als wezens van nu. En dat de tijd en de taal ook hun eigen kracht hebben en vorm vinden.

Zeker bij Een Woord Voor, omdat het een boek is dat zo nadrukkelijk gaat over wat we kwijtraken als we woorden kwijtraken, maar dus ook over wat we winnen als we woorden winnen. En misschien ook wel over wat we winnen als we woorden kwijtraken, want het is ook een soort bewustzijn dat langzaam intreedt. Dat was voor mij een belangrijk punt om te maken.

Woordvoor cover

Even kort terug naar de dieren. In Antwerpen loopt er momenteel een tentoonstelling 'We the Bacteria'. Dat is eigenlijk bijzonder omdat dat in het Architectuurinstituut is, omdat daar de link wordt gelegd tussen bacteriën en hoe we onze omgeving vormgeven. Maar als jij het over dieren hebt, zijn dat meestal dieren die we ook wel zien, niet de microben, niet de bacteriën. Of heb ik die gemist? Terwijl die eigenlijk ongelooflijk belangrijk zijn. Een boeiend idee is eigenlijk ook: ja, mensen, Homo sapiens, we bestaan nu al die tijd, maar bacteriën, sorry, die bestaan al enkele miljoenen jaren. Ik vind het daarbij ook wel een interessante bewustwording dat we eigenlijk meer bacterie zijn dan mens.

Ja, we zijn als individu zelf al meersoortige wezens. Ook al zien we onszelf zo graag als hele bijzondere en netjes waarneembare zelven. Mijn nadruk op de niet-menselijke dieren die we kunnen zien, en die we op een bepaalde manier behandelen in onze samenleving, komt ook heel erg voort uit mijn academische werk. Dus dat is waarin ik me heb gespecialiseerd.

Meersoortigheid en samenleven met niet-menselijke anderen zijn heel hecht met elkaar verweven. Denk bijvoorbeeld ook aan de discussie over planten. Er is ongelooflijk veel onderzoek gedaan naar cognitie, bewustzijn misschien zelfs, sociale interacties van plantenvormen. Dat levert ook heel veel filosofische vragen op. Wat betekent cognitie eigenlijk wanneer we het hebben over heel andere levensvormen? Dat soort vragen.

Dus ik denk dat dat hele vakgebied van de meersoortige relaties en de niet-mensen ons laat zien dat wij als mensen ook maar wezens zijn die gestalte krijgen binnen relaties met een bepaalde macht met daarbij een grote verantwoordelijkheid, omdat we heel dominant zijn tegenover veel andere soorten op het moment. Tegelijkertijd nodigt dit ons ook uit na te denken hoe we die relaties anders kunnen vormgeven en op welke manier we beter kunnen samenleven met de niet-mensen op deze planeet, binnen een tijd van ecologische crisis.

Het is een fictie om te denken dat we dingen nog kunnen gaan herstellen als mensen. We moeten het doen met wat er nu gebeurt. Soorten zijn al uitgestorven, gemeenschappen zijn op drift. Van de week las ik over een eilandgemeenschap rondom Fiji, die nu al hele dorpen aan het verplaatsen zijn, omdat bepaalde plekken onder water zijn komen te staan.

Alles is met elkaar verweven. Bewuster nadenken over bacteriën is ook pleidooi om ons te doen inzien dat we veel bescheidener moeten zijn.

Absoluut. Dat wilde ik net zeggen. Die grote aanwezigheid van natuur, plant en dier, leidt, of zou ertoe moeten leiden, dat we een beetje nederiger naar de dingen kijken en onze plaats een beetje proberen te kennen.

Ja. Maar nu mag u even minder nederig zijn over uw œuvre, ik denk dat het begon met Het schuwste dier in 2011, toch al een hele tijd terug. Vele mensen, neem ik aan, hebben nu voor het eerst kennis gemaakt via Een woord voor. Naast de fictie, heb je ook nog je non-fictie. Hoe groeit je oeuvre? En welke dingen wil je eruit oplichten?

Ik zie het zelf als een soort groot tapijt waar ik aan het weven ben. Bepaalde patronen komen terug of veranderen weer. De structuur verandert af en toe, maar dan komt er ook weer iets herkenbaars terug. Ik denk dat ik verschillende publieken heb. Mijn werk wordt veel vertaald, dus daarom ben ik ook veel op reis, met het academische werk, dat een eigen soort publiek heeft.

Maar er zijn ook een aantal constanten. Zoals altijd de aandacht voor de taal. Bijvoorbeeld ook in relatie tot niet-menselijke dieren. Daarin vind ik dat taal veel te weinig aandacht heeft gekregen. Zo ook in de relatie tot ziekten, long COVID, maar ook bij depressie is taal van belang. En verder komt mijn interesse in politiek en democratie vaak terug, samen met dus die niet-menselijke wezens met wie we deze planeet delen. Dus er zijn thema's die terugkomen en zich verplaatsen. Maar ik vind het zelf ook heel belangrijk om mezelf te blijven uitdagen. Er zijn schrijvers die vaak hetzelfde boek steeds opnieuw schrijven. Dat vind ik ook gaaf, want dan zoek je eigenlijk steeds naar dezelfde vragen in een nieuwe situatie.

Maar voor mij persoonlijk is het belangrijk om me uit te dagen. Ik heb voor volgend jaar een jaar zonder mensentaal gepland. Dan ga ik weer meer op zoek naar de stilte, de afwezigheid van ruis, maar ook de niet-menselijke uitstoot. Uitdrukkingsvormen die dan meer aandacht krijgen. Ik hou ook van stilte, dat is ook wel een thema dat vaker terugkomt. Maar voor mensen die mijn werk nog niet kennen, zou ik zeggen. Nou, grasduin er eens in.

Voor mij is altijd het belangrijkste het boek waar ik nu aan werk. Dat is een nieuwe roman over iemand die van vorm kan veranderen. En het academische boek waar ik mee bezig ben: een essaybundel over taal. En een gedicht over tijd. Een dichtbundel. Dus mijn aandacht gaat altijd naar wat nog komt.

Je werk wordt veel vertaald. Ik was daar een beetje van verbaasd. Ik las ergens een van de meest vertaalde Nederlandse schrijvers. Dan gebeurt het dat een werk dat al lang achter je ligt, dan pas in dat land of die plek vertaald wordt. En dan moet je er opnieuw over gaan vertellen alsof het pas geschreven is. Hoe is dat?

Het hangt er een beetje vanaf, want er zijn boeken waarover ik echt ook wel van mening veranderd ben, of waar ik nieuwe inzichten over heb ontwikkeld en dan kan ik het daar ook weer over hebben. Weet je wat het is? Denk aan het herlezen van boeken. Steeds als je een boek herleest, ga je daar eigenlijk op een nieuwe manier mee in gesprek. Met je eigen ervaringen, maar ook met hoe de wereld veranderd is.

Wat ik merk aan buitenlandse lezingen en optredens is dat de boeken eigenlijk gewoon nog precies zo relevant zijn als toen ik ze schreef, en dat ik er zelf nieuwe ideeën over heb gevormd, waardoor het voor mij ook niet saai wordt, maar het is wel grappig inderdaad om te merken: hé, nou, dit boek is tien jaar geleden uitgekomen en het wordt nu vertaald. Hoe reageren mensen erop?

Bijvoorbeeld Het Vogelhuis, dat werd in Nederland vrij apolitiek opgevat als een bijna feel-goodverhaal over een vrouw die haar leven met vogels wil delen. Maar bijvoorbeeld in Italië of in Turkije wordt het veel feministischer en politieker beschouwd. Zee nu is vorig jaar in het Engels vertaald (VS en VK). Daar heb je dan weer echt heel duidelijk die categorie van climate fiction, wat ik een best beperkend label vindt. Sowieso is daar veel meer het denken in categorieën van boeken. Is het een memoir? Is het dit? Is het dat? Dus dan is dat ook weer iets om te bevragen en om het over te hebben. Dus ja, ik vind het boeiend.

Vogelhuis

Is Een woord voor vertaalbaar naar het Engels? In het boek sluipt steeds meer Engels in. Hoe los je dan die evolutie en het laatste hoofdstuk op?

Toevallig mailde mijn Engelse vertaler mij daarover deze week. Omdat hij werd gevraagd om een proefvertaling te maken van een deel van het boekje.

Hij had een klein stukje vertalingen gelezen en had al heel veel vragen. Dus ik zei: lees het nou eerst maar gewoon helemaal. Want dan kom je op wat grotere problemen terecht. En dan moeten we gaan bedenken hoe we dat oplossen. Weet je wat het is? Vertalen is nooit een kopie maken, je maakt altijd een nieuw verhaal.

Ik was vorige week bij een Conferentie in Lancaster over vertalen. Het ging dan met name over dierentalen, maar ook over mensentalen. Ik hoorde daar dat het Indonesisch geen tijdsvervoegingen heeft van de werkwoorden. Dus je hebt niet ben, was, zal zijn: het zijn allemaal variaties op ik ben. Dat heeft natuurlijk implicaties voor de hele manier van zijn van een personage in een boek, bijvoorbeeld. En dat vertalen we ook. Dus vertalers zijn, denk ik, bij uitstek gewend om na te denken over hoe dat soort vragen werken. Dus ik ben heel benieuwd naar waar ze mee komen. Maar Engels, ja, dat zal een beetje tricky worden.

Ja, want als je dat naar een andere taal legt, dan kan het iets absurd worden, wat dan een heel ander klemtoon zou worden, wat dan weer niet de bedoeling is. Boeiend. Heb je, by the way, de Geheugenpolitie gelezen van Yoko Ogawa me? Hoe vond je dat?

Het is een vergelijkbare premisse, een boek waarin bepaalde woorden verboden worden. En ik denk dat een aantal vragen die eronder liggen heel vergelijkbaar zijn: hoe werkt taalpolitiek, hoe dwingt taal ons in een bepaalde richting, hoe worden wij door taal gemanipuleerd? Maar het is een ander verhaal en het wordt ook op een heel andere manier uitgewerkt. Ik denk dat het leuk is om de boeken naast elkaar te lezen.

Geheugenpolitie

Het is geen statistisch en wetenschappelijk onderzoek, maar er waren drie woorden die ik vaak zag terugkwamen in jouw boeken. Het eerste was “misschien”, dat is misschien wel voor de hand liggend want het is ook het witste woord (uit hun bundel Het witste woord) en ook: ‘beginnen’ en ‘sneeuw’. Ik vond het eigenlijk mooi om die te combineren. ‘Misschien’ als het witste woord, ‘beginnen’ als een ander woord voor hoop. ‘Sneeuw’: daar waar je sporen kunt achterlaten en uittekenen. Als een wit blad dat uitnodigt tot een creatieve invulling die er tot nu toe niet geweest was. En dan denk ik, ja, dat klopt dan eigenlijk precies wel bij Eva Meijer.

Wat mooi. Wat een mooie manier van denken erover. En ook wat een mooie woorden, en wat goed.

Witste woord

Als uitsmijter: ken je het Herstelwoordenboek? Dat verzamelt nieuwe woorden die ons denken in een mooie herstellende richting duwt. Daar staat bijvoorbeeld in: ‘bewustwoording’, bewuster het juiste woord inzetten; ‘opwijken’ als alternatief voor afwijken, van een norm opwijken, beter dan de norm zijn of doen; ‘femanisme’, omdat feminisme ook een mannenzaak is. ‘wankelmoed’, twijfel die moeite kost om toe te geven maar die je toch uit.

Ik ga het meteen opzoeken (lacht)!

Bedankt voor het gesprek!

__________________________________________________________________________

Welkom op de Leesclub XL met Eva Meijer

  • Zaterdag 7/11 om 15u - A-bib Permeke.
  • Gratis, wel graag reserveren want de plaatsen zijn beperkt.


We The Bacteria - tentoonstelling

Bacteria VK

© Sebastian Steveniers