Wat een trip!
Poëzie moet je met mondjesmaat consumeren. Meestal toch. Je moet er in ieder geval de tijd voor nemen, bereid zijn je helemaal onder te dompelen.
In het geval van Zwarte gaten voelde ik dat het een trip ging worden waar ik me volledig in wou onderdompelen. Dus nam ik de fiets naar een favoriet café, bestelde een rosé en gaf me over aan Yentl en haar magische pen.
Ik las de bundel quasi in één ruk uit, onderlijnde veel, tekende hartjes en smileys in de kantlijn, slikte wat tranen in, zat met een dwaze glimlach te knikken, mijmerde vol melancholie over mijn heden en verleden.
De lange cyclus, de kortere alleenstaande gedichten (die niet echt alleen staan, alles hoort bij elkaar) ademen eenzelfde sfeer uit van verlangen, melancholie en wambloedige liefde. Hoewel dit een dichtbundel is leest het boek ook als een roman. Met alledaagse woorden, poëtische mijmeringen, spreektaal, dagboekgedachten en brieftaal door elkaar. Maar bovenal voert schoonheid de boventoon. Schoonheid in woord en beeld, letterlijk beeld in de vorm van tekeningen van van Stokkum zelf maar ook de schoonheid van het effect die de taal op je heeft.