Liefde in onherstelbare tijden
“Narcis - Judith Fanto” ****
Er zijn boeken waar ik lang omheen blijf draaien, voor ik er eindelijk toe kom om ze dan toch te lezen. Overwegend positieve recensies of niet. Wat me tegenhield? Als vroegere psychotherapeut kan ik daar wel een uitleg op plakken, maar was het echt daarom? Ik weet het niet zeker. De indringende en tegelijk wat hautaine blik van de man op de cover, gekoppeld aan de titel. Narcis. Narcisme. Het was geen liefde op het eerste gezicht. En daarmee bezondigde ook ik me aan een vooroordeel. Aan hokjesdenken. Of het nu om narcisten, Joden, katholieken, protestanten, homo’s, socialisten, communisten gaat, of noem maar op. Een tijdloos thema, helaas weer pijnlijk actueel.
En ja, Fanto creëert met Hermann een personage dat haar de gelegenheid geeft de roman te schrijven zoals ze hem voor ogen heeft. Het is echter even waar dat de inspiratie nauw aanleunt bij haar eigen wortels. In die context schept ze, niet onbegrijpelijk, haar personages.
Hermann heeft een Nederlandse moeder die sterft als hij tien is. Daardoor moet hij Haarlem verlaten om bij zijn tante, de zus van zijn afwezige en weinig glorierijke vader, in Wenen op te groeien. En ja, hij voelt zich ontheemd en de tante is een stuk venijn, het archetype van de stiefmoeder, en dat maakt van het kind dat hij is een eenzame toeschouwer, een buitenstaander die naar de wereld kijkt en die reflecteert zoals een prisma, terwijl hij zelf redelijk kleurloos blijft. De roman biedt naast de geschiedenis van de vriendschap en die van een wereld op weg naar en in de hel van de oorlog, ook het verhaal van een getraumatiseerde jongen, jongeman, die zichzelf moet vinden.
Heeft Fanto dus een constructie bedacht of is het gewoon eigen aan het leven in het algemeen, dat het soms gemene streken met een mens uithaalt? Shit happens. Maar dat gebeurt ook met het geluk, dat zich aandient in de vorm van een vriendschap met vijf anderen die bedoeld lijkt om een leven lang mee te gaan. Dat zal niet gebeuren, en ook dat is voorspelbaar, maar evenzeer klopt het met de realiteit van de wereld en de tijd waarin ze leven. Oorlog splijt nu eenmaal mensen. Je bekent kleur of je verdoezelt. Niets is nog zeker, van niemand ben je nog zeker. En behalve het expliciete wit of zwart van het hokje, waarin je jezelf profileert, zitten er in ieder afzonderlijk ook nog hopen grijstinten. In die zin is het ook het verhaal van kleine mensen. Er zijn geen helden. En is er een God met een plan of is er alleen maar chaos?
En ja, het is misschien net iets te toevallig dat Fanto personages bij elkaar brengt die straks vanwege hun neigingen, persoonlijkheid, geaardheid, straks in het interbellum onvermijdelijk met elkaar gaan botsen, als ze jongvolwassen worden en ze met de opkomst van Hitler de verschillen niet langer met de mantel der liefde kunnen bedekken. Geheimen doen hun intrede, en als er onder vrienden al geheimen bestaan, wanneer weet je dan wie iemand echt is? Achteraf weet je het. Als het kalf verdronken is.
Maar moet je alles wel weten, moet alles onderling verteld en gedeeld worden, of kun je sommige dingen beter voor jezelf houden om erger te voorkomen? Hoe ver gaat loyaliteit, en loyaliteit aan wie dan? Uit welk motief praat je uiteindelijk toch? Ter wille van de waarheid en om recht te doen geschieden, of om de last voor jezelf te verlichten? Om er niet langer alleen mee te zijn.
Het verraad is onafwendbaar. Het splijt wat eens vriendschap was, en de vraag blijft of en wat er nadien nog geheeld kan worden?
Hermann, Manno, is niet toevallig restaurateur van beroep. Ook dat kun je te gezocht vinden, maar hoe vaak heb ik in mijn werk niet gezien dat mensen vanuit een persoonlijk trauma later in een beroep terechtkomen dat anderen heelt en dat hen, terwijl ze met die anderen bezig zijn, ook zelf heelt?
Hoe kan Manno de vrienden, elk afzonderlijk, zodanig restaureren dat ze straks als geheel weer toekomstbestendig zijn?
Inclusief zichzelf: zoals hij oude vernislagen en afbladderende verf weghaalt van een doek, legt hij ook zijn eigen geschiedenis bloot. De verdrongen traumatische herinneringen. Hoe hij geworden is wie hij is.
Een restaurateur dient om het kunstwerk – het symbool voor de gehavende vriendschap – in zijn oorspronkelijke staat en glorie te herstellen en blijft zelf in de schaduw. Hij is slechts de scherpe blik, de hand, het bindmiddel. De vriend tegen wie je alles vertelt, maar waar je zelf maar weinig van weet, zodat hij, ook voor de lezer, enigszins onzichtbaar blijft, wat nog versterkt wordt door het feit dat zelfs zijn liefde een verlangen in zijn hart en gedachten blijft, hij heeft geen vrouw, zelfs geen minnares, geen kind, geen ouders meer. Zijn enige binding, los van zijn herinneringen, is met zijn vrienden en zijn werk. Los van hen bestaat hij nauwelijks, in de zin van ‘niet levend te zijn’.
Het is een erg zintuiglijk verhaal, met de nadruk op geuren, en in de wat overdadige stijl van de periode die het beschrijft. In die context past de taal wel. Het geeft het geheel een natuurlijke geloofwaardigheid.
Ook de historische achtergrond is sterk gedetailleerd weergegeven, wat ik herken als een valkuil van je grondig documenteren en dan dat allemaal zo boeiend vinden dat je ook het kleinste in het verhaal wil verwerken, waardoor het soms net iets te veel van het goede wordt. Anderzijds, als ik me in de personages verplaats, kán het ook niet anders of ze willen de geschiedenis dag op dag op de voet volgen, elk detail kan immers van levensbelang zijn.
In die zin zijn de keuzes van Judith Fanto verklaarbaar en zelfs functioneel.
Er is de symboliek van de narcis. De geur die kan verleiden of het gif. Het bosje dat je plukt en een geschenk kan zijn en de legende dat één narcis plukken ongeluk brengt.
Er is het verhaal van Narcissus en de waterspiegel, waarin we onszelf en de anderen gespiegeld zien.
Zonder twijfel vond ik dit een boeiende en meeslepende roman, met opnieuw actuele en existentiële thema’s waar we over moéten nadenken.
Toch bleef ik een groot stuk van de tijd het gevoel hebben dat ik óver mensen en feiten las, ik was er niet zelf bij. Ik zat niet mee ín het verhaal, en dat zie ik bevestigd als ik mijn bespreking herlees: het is een rationele beschouwing geworden méér dan een emotionele.
Als lezer was ik, niet anders dan Manno, de buitenstaander, de toeschouwer die wilde, moést weten hoe het afliep, maar ik maakte geen deel uit van hun geschiedenis, van de vriendschap. Ik was niet één van hen. Daarvoor werden de personages net iets te weinig van vlees en bloed. Ik dacht over hen na, kon begrip opbrengen (of niet), medelijden, me ergeren (vooral aan de jonge Bertl, die te veel echo van de vader is – wat ook een paar keer te nadrukkelijk wordt herhaald) maar hield ik ook van hen? Er was een drempel die ik nog altijd niet helemaal over kon, en toch ligt nu op mijn nachtkastje “Viktor” klaar. We zullen zien. Ik probeer zonder vooroordeel.